Tweespraak: Vlaamse fiscaliteit: een wereld van verschil?

Met het Lambermontakkoord beschikt Vlaanderen sinds 1 januari 2002 over heel wat meer fiscale autonomie. Vlaanderen toont sindsdien aan dat je een beleid kan voeren met fiscaliteit: afschaffing van het kijk- en luistergeld, verlaging en hervorming van de registratierechten, drastische verlaging van de schenkingsrechten en het wegwerken van heel wat discriminaties. Zoals die tussen gehuwden en samenwonenden, natuurlijke en pleegkinderen. Vanaf 1 januari 2007 zal er door de langstlevende partner ook geen successierechten meer betaald worden voor de gezinswoning en wordt werken beloond met een korting op de personenbelastingen. Tijd voor een tweespraak met twee specialisten: Rik Deblauwe, advocaat bij Tiberghien, en notaris Jan Boeykens.

Jan Boeykens
Notaris

Jan Boeykens

Met fiscaliteit kan je een beleid sturen. Is het een goede zaak dat de gewesten meer armslag kregen? Hebben ze nood aan nog meer fiscale autonomie?

Jan Boeykens: "Het is overduidelijk dat fiscale wetgeving een belangrijk beleidsinstrument kan zijn. Het is een goede zaak dat de gewesten kunnen inspelen op specifieke behoeften en hun visie op een eigen manier kunnen implementeren. Het past bovendien perfect in het algemene kader om wetgeving meer en meer fijn af te stemmen en doelgerichter te maken. Hoever men met deze fiscale autonomie moet en kan gaan, is een politieke keuze."

Is het gunstig dat er fiscale concurrentie speelt tussen Vlaanderen, Wallonië en Brussel?

Jan Boeykens: "Ik denk niet dat 'concurrentie' een goed woord is, het gaat hier niet over opbod of elkaar vliegen afvangen, wel over de eigen invulling en accenten leggen. Ik ben ervan overtuigd dat een originele wetgevende optie, idee of invulling in ieder geval inspirerend werkt voor een ander gewest."

De hervorming van registratierechten voert het principe van de 'meeneembaarheid' in, waarom is dit zo belangrijk?

Jan Boeykens: "Het belang van de meeneembaarheid ligt in het feit dat de begunstigden ervan de registratierechten, die zij destijds betaalden bij de verwerving van hun gezinswoning, tot een maximum van 12.500 euro niet meer kwijtspelen. Ze kunnen de betaalde registratierechten in rekening brengen bij de aanschaf van een nieuwe gezinswoning. Samen met de algemene verlaging van de registratierechten van 12,5% tot 10% is dit dus een grote bonus, die bovendien in de algemene mobiliteitsproblematiek past."

Welke fiscale maatregelen dient Vlaanderen nog te nemen?

Jan Boeykens: "Zonder enige twijfel het aanpassen van de registratie- en hypotheekrechten (dit laatste is een federale beleidsmaterie, geen Vlaamse) op de waarborgverstrekking bij kredieten. Thans zijn de kosten om hypotheken op een onroerend goed effectief in te schrijven in België veel te hoog. Daarom alleen wordt de waarborgverstrekking in vele gevallen ontdubbeld en wordt meestal gewerkt met twee notariële akten: een effectieve waarborg bij wijze van een kleine hypotheekinschrijving en een bijkomende garantie bij wijze van een grote hypothecaire volmacht.

Dit is op alle vlak contraproductief! Voor de geldverschaffer biedt de hypothecaire volmacht geen onmiddellijke effectieve waarborg. Dit houdt bijgevolg een groter risico in. Dit grote risico vertaalt zich economisch in een fractie hogere rente. Bovendien willen de buitenlandse banken dit ontdubbeld systeem niet hanteren. Ze eisen een effectieve waarborg voor de totaliteit, wat de kosten hoger maakt."

"Ook voor de rechtszekerheid in het algemeen, denk in het bijzonder aan het geval van een faillissement, zou het veel beter zijn dat de hypothecaire volmachten verdwijnen. Er zou best enkel nog met effectieve inschrijvingen worden gewerkt. De banken en curatoren zijn zeker vragende partij. In het laatste regeerakkoord van de Vlaamse regering werd deze problematiek trouwens opgenomen. Voor onze ondernemingen is de daling van deze kosten een absolute must, zij kunnen met het huidige dubbelakten-systeem niet gemakkelijk geld aantrekken op de internationale markt."

"Het zou goed zijn om de kost van de waarborgverstrekking forfaitair te plafoneren tot een bepaald bedrag, bijvoorbeeld 750.000 euro en de kost voor inschrijvingen erboven, vrij te stellen. Budgettair zou men dit enkel als positief ervaren, omdat er thans niet echt veel inschrijvingen worden genomen voor een hoger bedrag. Het terugverdieneffect is hier overduidelijk en zal ook duurzaam zijn."